Esther Gerritsen – Dorst

Esther Gerritsen – Dorst

Als Coco en haar moeder Elisabeth elkaar op een dag bij toeval tegen het lijf lopen, vertelt de moeder tussen neus en lippen door dat ze niet lang meer te leven heeft. Coco voelt zich verantwoordelijk en trekt bij haar moeder in. Terug in het ouderlijk huis pakt Coco haar oude drankgewoontes weer op. Hoelang verdraagt de zieke Elisabeth haar dochter om zich heen?

Esther Gerritsen - Dorst
Uitgever: De Geus
Jaartal: 2012
Bladzijden: 216
Mijn mening:

 

Mijn samenvatting

Het is de eerste keer in haar leven dat Elisabeth haar dochter onverwachts treft. Ze komt van de apotheek op de Overtoom, wil net oversteken naar de tramhalte als ze haar dochter ziet fietsen aan de andere kant van de straat. Haar dochter ziet haar ook. Elisabeth staat stil. De dochter stopt met trappen maar remt nog niet. De hele Overtoom zit tussen hen in, twee fietspaden, twee rijbanen en een dubbele trambaan. Elisabeth weet meteen dat ze haar dochter moet vertellen dat ze doodgaat en lacht als iemand die van plan is een grap te vertellen. (blz. 6)

Elisabeth en haar dochter Coco hebben een moeizame relatie. Dat merk je gelijk in het begin van het verhaal. Ze zien elkaar alleen als het moet. Vandaar dat Elisabeth haar dochter nog niet had verteld dat ze nierkanker heeft en doodgaat. Coco schrikt er een beetje van, maar ze geniet meer van haar eigen zieligheid. Als ze een paar dagen later tijdens een etentje aan haar vader en zijn vriendin vertelt dat haar moeder doodgaat, zegt ze spontaan dat ze bij haar moeder gaat wonen. Haar vader, zijn vriendin en haar vriend raden haar dit af. Ze heeft tenslotte sinds ze klein is nauwelijks contact met haar moeder. Waarom zou ze dit gaan doen? Juist omdat ze zo hard protesteren besluit Coco het echt te doen. Dan ziet iedereen dat ze een goede daad verricht. Ook haar moeder is niet zo blij met dit besluit, maar zegt niets omdat ze denkt dat ze hier niet tegen in mag gaan.

Als Coco niet meer zichtbaar is op de trap draait Elisabeth zich naar de ovale spiegel met de gouden lijst aan de muur. Ze kijkt naar haar eigen gezicht en hoort Coco’s voetstappen op de overloop, in haar oude slaapkamer, weer op de overloop, badkamer nu. In de spiegel van de kapper is haar gezicht langer dan hier thuis.
Ooit was haar dochter zo’n wachtende klant, een getuige van wie je geen last lijkt te hebben maar die alles toch ongemakkelijk maakt. Hoe ouder haar dochter werd, hoe opzichtiger ze ging toekijken. Alsof er iets bijzonders te zien was. Hoe ouder haar dochter, hoe vreemder Elisabeth. Haar dochter maakte haar vreemd.
Nu is het alsof de wachtende klant in de kapsalon genoeg heeft van de gemakkelijke woorden, van al het gepaste, en met groot misbaar zijn tijdschrift neerlegt en zegt: ‘Zo, om even terug te komen op wat jullie daarnet zeiden…’
Ze hoort haar dochter de trap afkomen en met elke tree die ze neemt wordt Elisabeth banger voor de woorden van haar dochter. Haar schouders krimpen, alsof de woorden er al op zijn neergedaald. Alsjeblieft geen dochterwoorden, alleen kapperwoorden. Ze kan het, haar dochter kan het, ze klonk gisteren toch kwiek en licht, ja toch? Enkel die toon terugvinden, de juiste toets aanslaan.
‘Boterham?’ probeert ze.
‘Ja’, zegt Coco.
Mooi. Een boterham is goed. Huppekee, denkt Elisabet, lichte woorden denken nu, even een boterham, huppekee. (blz. 34)

Zowel Elisabeth en Coco zijn heel erg bezig met zichzelf en met wat mensen van hen zullen vinden. Elisabeth doet daarom alsof haar ziekte helemaal niet erg is en dat mensen zich geen zorgen hoeven te maken. Coco doet alsof het allemaal vreselijk is en dat het zo goed van haar is om zich op te offeren om nu bij haar moeder te gaan wonen.

Coco zit op haar bed en wiegt haar bovenlijf op en neer. Blijven bewegen.
Een heel kort moment dacht Coco: daar gaat ze, dit zijn dan de laatste woorden van mijn moeder: ‘Ik hou van je.’ Mooier kon niet. Maar toen haar moeder het zei, keek ze haar niet aan. Haar blik was op de deur gericht, niet eens schielijk.
Dus knikte Coco vriendelijk naar het dressoir en zei: ‘Ik ook van jou.’ Opnieuw moet ze erom lachen en denkt: als het niet zo grappig was, zou je erom huilen.
Ze moet niet gaan liggen. Deze ijle stemming verdraagt geen slaap, die dik en zwaar is en al het luchtige zal verstoppen en naar beneden trekken. Ze had Martin niet weg moeten sturen, nu is ze gebonden aan dit huis en aan wachten. Dit waken is niets voor haar. Er moet iets gebeuren. Iets met ambulances en dokters aan huis en paniek en pijn, alles beter dan dit stille.
‘Ik heb geen zin meer’, zegt ze en ze lacht alweer om haar puberale toon. Wanneer houdt ze met deze hele zorgact op? Niemand vraagt erom. Iemand moet het doen. Niemand vraagt erom. Iemand moet het doen. Ze wiegt met de woorden mee. Iemand moet het doen, iemand moet het doen. (blz. 132)

Hoe zal dit verhaal aflopen?

 

Mijn mening

Ik vind de personages vervelend, ze irriteren mij. Er is met allebei iets mis, maar het is onduidelijk wat. Het zijn in ieder geval geen doorsneemensen. Hun relatie bestaat eigenlijk niet, maar ze doen het omdat ze denken dat andere mensen dat van hen verwachten.

Ondanks dat ik de personages irritant vond vond ik het verhaal interessant genoeg om door te lezen. Ik was benieuwd naar de afloop van het verhaal.

 

Een uitgebreidere recensie staat op Ikvindlezenleuk

 

Geef een reactie